Interview met Lief Verbeeck, draailierspeelster en bezielster van muziekatelier Ward De Beer

Muziekatelier Ward De Beer in Borgerhout, ook wel eens ‘de volksmuziekschool’ genoemd, bestaat dit jaar 50 jaar. We ontmoetten bezielster Lief Verbeeck, die in het folkmilieu vooral bekend is als lesgeefster draailier, in het multiculturele Borgerhout in een gezellig honderdjarig huis met de originele glasramen. We spraken met haar over het muziekatelier, over haar leven en haar passie voor het lesgeven, over volksmuziek en muzikale vrijheden, over de behoefte aan nieuwe leraars, over haar muzikale kinderen (dEUS, Lady Angelina, Traktor,…) en over Antwerpenaars.  

Dag Lief, in onze zoektocht naar folk in Antwerpen kom ik vandaag bij jou terecht. Hoe gaat het volgens jou met de folk in Antwerpen?
In Antwerpen zijn er niet zoveel mensen met folk bezig. ’t Is te zeggen, ik heb de indruk dat Antwerpenaars zich niet zo gemakkelijk verenigen als bijvoorbeeld de Gentenaars. Als er hier dingen gebeuren, dan blijven die dikwijls binnenshuis. Antwerpenaars denken nogal eens dat ze niemand anders nodig hebben en doen het dan op zichzelf.

Wie is Lief Verbeeck?
Ik ben altijd met spelen en speelgoed bezig. Ik doe heel graag dingen die niet echt zijn, ik heb bijvoorbeeld speelgoed en toneelkleren gemaakt, toneelstukken geschreven, straattoneel gespeeld, alles wat juist niet echt is. Ik heb wel echte dingen gedaan, maar nooit in’t echt, altijd met het speelse erin, om me vrij te voelen denk ik. Ik heb piano gestudeerd en was daar heel goed in, maar ik zag mezelf niet op een concertpodium aan een vleugelpiano zitten omdat dat allemaal veel te echt en te serieus was. En daarom trekt volksmuziek mij veel meer aan, het blijft spelen, het is niet vastgepind, het is niet met een geweldige sérieux. Dat is misschien een uitgangspunt voor mij, als het te serieus wordt, dan ben ik weg.

Hoe ben jij bij de volksmuziek terecht gekomen?
Ik kocht mijn eerste singles toen ik 16 was, eentje van de Beatles en eentje van Wannes Van de Velde. Beide waren voor mij evenwaardig, even sterk, even krachtig en hip. Ik speelde toen zelf al behoorlijk goed piano en ook toen al hield ik van volkmuziek, al was daar op de muziekacademie natuurlijk geen plaats voor. Als kind haatte ik folklore, ik haatte accordeonisten die liedjes kwamen zingen. Ik heb me zo als kind eens geweldig belazerd gevoeld omdat als verrassing op kamp zo’n accordeonist Vlaamse liedjes met ons kwam zingen, ik vond het afschuwelijk. Maar toen kwamen Rum en Wannes Van de Velde en zij gaven aan volkmuziek een totaal andere invulling als wat de folklore er mee deed en dan vond ik het wel tof. Zo was het ook met volksdans, ik haatte die opvoeringen met stijve kostuums, maar toen kwam ik in Galmaarden op de volksmuziekstages terecht en ik leerde daar de bourrees en de scottischen kennen en zag dat je die ook kon dansen zonder jezelf lelijk te moeten kleden of lelijke muziek te moeten spelen. Ik dacht: “Ha, dat kan, dat bestaat.”

Wat trekt jou aan in volksmuziek?
Als volksmuziek droevig is, is het puur gewoon zo droevig en als het vrolijk is, dan is het puur vrolijkheid. Het is het een of het ander: kinderlijk vrolijk of kinderlijk droevig, maar altijd eerlijk, er is niets gekunstelds aan. Ik word groter als ik die muziek hoor, mijn hart begint te kloppen, juist zoals wanneer de zon erdoor komt, zo’n gevoel.

Ik ben de eerste keer in Galmaarden geweest in 1981, bijna 30 jaar geleden. Ik speelde toen 3 jaar viool. Op de muziekacademie moest ik studies spelen en die klonken in mijn oren niet als muziek. Maar op die stages mocht ik met de beperkte technische bagage die ik had echt muziek spelen. Dat is het fantastische aan volksmuziek: die ligt heel dicht bij de mens als hij muzikaal nog niet veel kan, bij de kleine, volkse mens, dat vind ik heel belangrijk.

Wat is voor jou het verschil tussen volksmuziek en folk?
Ik heb vroeger in de volksmuziekgroep RAMENAS gespeeld, we speelden die oude vrolijke en triestige muziekjes. Op een gegeven moment kregen we het gevoel dat we er iets meer mee moesten doen, dat we het geraffineerder moesten maken, en dan wordt het folk. Folk is geraffineerde volksmuziek waar iets mee gedaan is. De echte pure volksmuziek zijn volgens mij de oude melodieën zoals ze door de eeuwen heen zijn boven gedreven. Niemand weet hoe oud die melodieën zijn. Van sommige hebben we daar een indicatie van, we weten bijvoorbeeld dat de Branle des Chevaux in 1500 is opgeschreven, maar hoe oud hij toen al was weten we niet. We weten wel dat hij nu nog altijd wordt gedanst en gespeeld en dat het een van de tofste renaissancemelodieën is die nog altijd 500 man op de been brengen. Of Rozemarijntje, zo’n mooi lied, hoe oud zou dat zijn? 200 jaar, 500 jaar? Niemand weet het, maar het is boven blijven drijven, en dat is volksmuziek. Typisch aan die oude melodieën is dat ze rààk zijn, ze hebben het. Als je 1000 melodieën doorspeelt, dan zijn er enkele die eruit springen en al die andere verdwijnen terug. Het is maar door de tijd dat het gezift wordt, wat het waard is blijft overeind. Dat is mijn ondervinding.

Ik weet ook wel dat er prachtige nieuwe dingen gemaakt worden en sommige dingen verdwijnen ook weer omdat er te weinig moeite is gedaan om ze aan de man te brengen. Als je een prachtige melodie hebt die je nergens speelt en die niet op CD staat, dan zal ze ook verdwijnen. Maar het is niet omdat je een lied pusht en op alle mogelijke dragers zet dat ze ook de tijd zal overleven. Folk borduurt verder op volksmuziek en folkmuzikanten moeten er zich altijd terug bij gaan herbronnen.

Ik maak eigenlijk niet zoveel onderscheid tussen verschillende genres muziek hoor. Ik speel ook jazz en klassiek, voor mij is dat allemaal goed. Ik wil wel dat muziek eerlijk moet zijn, en liefst ook akoestisch. Dat is zoals met plastiek tegenover hout, of synthetische stof tegenover wol, het moet natuurlijk zijn.

Je bent in het folkmilieu bekend omdat je goed draailier speelt en lesgeeft in Borgerhout en Gooik. Hoe ben je daarbij terecht gekomen?
We speelden toneel. Ik was getrouwd met beeldhouwer Joos Janssens. We hadden elkaar leren kennen op het podium, hij zong en speelde gitaar en doedelzak. Hij had iemand gezien met een zelfgebouwde draailier en wilde dat ook ooit bouwen. Er gingen jaren voorbij en er werd niet meer over gepraat. Joos kwam op de Steinerschool in Antwerpen terecht als lesgever beeldhouwen. Hij moest ook schrijnwerkerij geven en ging daarom een cursus ‘hommels bouwen’ volgen bij Lode Bauwens in Sint-Niklaas. Daar leerde hij mensen kennen die met volksmuziek bezig waren en kwam hij in contact met de draailier. Hij bouwde toen een draailier om te gebruiken in ons straattoneel.

Ik speelde toen een beetje viool en accordeon. Joos exposeerde met beeldhouwwerk en ik had mijn pianoleraar Gaston Wouters gevraagd om het in te leiden. Tijdens de receptie tussen de beelden en jonge mensen, begon hij accordeon te spelen en dat was fantastisch. Wat hij speelde leefde, terwijl wat andere accordeonisten speelden voor mij een dooie boel was. Binnen de kortste keren had ik ook een accordeon. Een viool heb ik ook via hem gekocht. Die lag daar maar te liggen tot iemand me zei: “Als je er niet op speelt, dan gaat ze kapot.”

Na een paar jaar ben ik dan op de volksmuziekstage in Galmaarden terechtgekomen. En op hetzelfde moment ben ik bij Ward De Beer gaan meespelen in het strijkersensemble. Echt krak op dezelfde moment, de directeur van de muziekacademie van Essen wou mij buizen, en toen dacht ik: “Wacht maar,” en ik was vertrokken. Op zo’n stage en in het muziekatelier van Ward De Beer kon ik volksmuziek en barokmuziek spelen die toegankelijk en niet moeilijk was. Je leert op die manier vaardigheden opbouwen die ik niet mocht oefenen in de academie.

 Wat is er zo tof aan een draailier?
Luister maar eens… (Lief zet enthousiast een muziekfragment op.) Ik heb hier ooit een bezetenheid, een geweldig euforisch gevoel van gekregen. Er gaat een geweldige sfeer uit van draailiermuziek, ik kan dat niet uitleggen, maar als ik dit hoor ben ik verkocht, de klank van dat instrument en die bourdons erbij, ook in combinatie met doedelzak. En het soort muziek dat je op draailier kan spelen, volksmuziek heeft voor mijn part iets dat je gewoon wil kunnen. Het maakt me vrolijk en geeft me een drive. In het begin interesseerde de draailier me niet zo, maar toen kwamen in Galmaarden jonge gasten spelen, Les Ecoliers de Sint-Genêts, iedereen stroomde erop af, ik was er gefascineerd van en wilde er alles van weten.

Wie was die Ward De Beer eigenlijk?
De broer van Ward De Beer had de Steinerschool in Antwerpen opgericht, Ward gaf er muziekles. Hij was een fantastische mens die een intense en juiste kijk had op de zaken, hij kon mensen verzoenen op zijn minzame en diplomatische manier en gaf ze het gevoel dat ze iets waard waren en tot prestaties konden komen. Ik heb Ward leren kennen in 1974 als leraar van de Steinerschool in Antwerpen. Mijn man zei de eerste dag nadat hij thuiskwam van zijn werk daar: “Nu zit daar toch zo’n sympathieke muziekleraar, zo’n warme, sympathieke, lieve, minzame mens.” Dat zal iedereen zeggen die Ward heeft gekend. Ik kan hem met niemand vergelijken. Ward had een klassieke scholing, maar hij leidde een volksdansgroep Keere Weerom waar hij viool speelde. Ward sprong en danste even hard mee als de dansers. Zijn vrouw Mieke leerde de dansen aan, het was naar’t schijnt nogal een kwaaie waarbij het allemaal heel juist moest zijn. Ward was ook instrumentenbouwer maar bouwde nooit 2 keer hetzelfde: hij bouwde een draailier, doedelzak, hakkebord, fluiten viool, altviool….. Hij ging altijd “eens iets proberen”. Hij had een altviool gemaakt en die bracht hij dan bij het strijkersensemble mee om op te spelen. Het staartstuk daarvan was een blote vrouw, dat is ook typisch iets van hem, hij was een speelvogel.

In 1960 begon Ward met zijn jeugdmuziekatelier. Hij was vooral bezig met oude muziek en volksmuziek. Niet het klassiek academische, maar wel de huismuziek, wat je speelt als je met zijn allen bijeen zit, renaissancestukjes of volksmuziek, dat is eenvoudig en gemakkelijk en dat werd aangeboden. En daar dan de nodige muzikale vorming bij. Dat ging altijd samen als een evenwaardig pakket: muzikale vorming, instrument en samenspel. De oude muziek heeft een geweldig hoogtepunt gehad in de muziekschool, er werd traverso gespeeld, klavecimbel, vedel, gamba, luit, lier,… Er waren overal leraren voor.

Wanneer ben jij bij het muziekatelier van Ward De Beer terechtgekomen?
In het begin werkte het muziekatelier uitsluitend met jongeren. Maar bijna 20 jaar later, in 1979, wilden ze in de Steinerschool ook met ouders een muziekschool oprichten, dat werd de vzw Musica Domestica. Ik kwam er zelf terecht in 1981 en vond het er ongelofelijk tof, er gebeurde zoveel en ik dacht dat dat altijd al zo geweest was, maar eigenlijk was het toen nog maar recent zo. Na Wards plotse overlijden in 1985 viel de school in een dieptepunt omdat zijn grote persoonlijkheid bij niemand zijn gelijke vond. Daarom, vanuit ons groot respect voor deze onvervangbare man, hebben wij de school naar hem genoemd, en trachten we zijn bezieling en mentaliteit nog steeds zoveel mogelijk levendig te houden en te benaderen.

Toen Ward in 1985 stierf was er een bestuur dat zeer goed werkte, maar het duurde niet lang of er was onenigheid en de ene na de andere was weg. Toen vroegen ze of ik in het bestuur wilde komen? Ik ging naar een vergadering en bijna iedereen nam daar ontslag, ook de voorzitter. Ward was toen maar een jaar dood en ik dacht: “Dat kan niet, zoiets prachtigs laat je toch niet verloren gaan.” In 1986 vlogen we buiten uit de Steinerschool en moesten we op zoek naar een nieuwe locatie. Die vonden we in een school in de Van Heurckstraat, niet ver van de Vogelmarkt in Antwerpen. Daar stonden we dan, we vielen terug op 200 leerlingen want alle leerlingen van de Steinerschool vonden het te ver om nog te komen.

Als het zo moeilijk ging toen, waarom ben je er dan mee doorgegaan?
Tja, wanneer stop je met een muziekschool? Jaar in jaar uit schreven leerlingen zich in en zo blijf je verdergaan. Het is moeilijker om ermee te stoppen dan om er mee voort te gaan. Er waren ook nog een paar toffe mensen over die mee aan de kar trokken.

Ik ben intussen 22 jaar samen met Bernard Van Lent (accordeonist van Wannes Van de Velde in zijn beginperiode). Misschien was ik het niet blijven doen als ik Bernard niet was tegengekomen. Ik gaf toen zelf accordeonles maar voelde me er te weinig in thuis en dacht: “We hebben iemand nodig als Bernard Van Lent.” En toen kwam ik hem toevallig tegen en de eerste vraag die ik aan hem stelde was: “Wil jij alsjeblieft bij ons komen lesgeven?” Ik dacht dat hij er geen tijd voor zou hebben. Hij had er wel tijd voor en wou het ook heel graag doen. Als het voor hem niet ook belangrijk was geweest, dan had ik misschien al lang iets anders gedaan en had de muziekschool niet meer bestaan. Bernard heeft zich altijd een beetje gedistantieerd van het runnen van de muziekschool, hij heeft altijd gezegd: “Doe jij dat maar.” Maar vorig jaar is hij wel voorzitter van de vzw geworden en toen is mijn frank gevallen dat wij het eigenlijk al die jaren al samen dragen. Van de leraars van toen zijn we nog maar met 3 over, dus is het wel echt iets van ons. Mijn dochters helpen intussen ook op het secretariaat, dus wat dat betreft is de toekomst verzekerd.

Hoe ziet het muziekatelier Ward De Beer er nu uit?
We zijn een jeugd- en volwassenenmuziekatelier. Er zijn een 40-tal leraren en 450 leerlingen. Er komen verschillende stijlen aan bod, volksmuziek, klassiek, renaissancemuziek en jazz/blues/pop. Maar het uitgangspunt is in de verschillende stijlen hetzelfde: het zijn allemaal vormen van muziek van het volk, ze zijn van onderuit gegroeid. De verschillende stijlen hebben eenzelfde manier van teruggrijpen naar hun roots, en dat bieden wij aan. Het is een spel van vraag en aanbod, elk jaar verschuiven de accenten een klein beetje. Jarenlang hadden we een prachtig blokfluitensemble, maar door verandering van leraar en omdat iemand niet meer kan, is het weggevallen. Maar dan ontstaat er weer een ander soort groepje waar wel liefhebbers voor zijn. Je moet ook organiseren wat werkt en waar volk voor is.

Ongeveer een derde van ons aanbod bestaat uit volksmuziek. Volksmuziek is kwetsbaar, alle genres zijn kwetsbaar. We boden nyckelharpa aan, maar de lerares is verhuisd en er is er geen andere. Guido Piccard gaf hommel maar die had geen tijd meer, dus gedaan met hommel. Voor doeldelzak moeten we altijd zoeken, meestal hebben we leraars die van verder weg komen. We hebben veel leerlingen voor diatonische en chromatische accordeon. Bernard heeft altijd veel leerlingen, maar op het moment dat hij het niet meer zal doen weet ik niet hoe het dan zal evolueren. Ik geef zelf al al die jaren draailier.

Wat motiveert jou als goeie muzikant om maar bezig te blijven met beginnelingen vanalles te willen leren?
Ik speel graag muziek en daardoor speel ik veel, ook met leerlingen. Dat zijn natuurlijk dingen van een niveau dat ik al jaren beheers, maar ik blijf het wel graag spelen, ik kies zelf ook de muziekstukjes. Als mensen muziek van me willen leren, dan is het voor mij een uitdaging om hen zover te krijgen dat ze er een weg mee kunnen, dat ze er het zelfde plezier aan hebben als ik eraan heb. Draailier is technisch best moeilijk, als ik een leerling zie sukkelen met zijn slag en hem zover kan krijgen dat hij de slag juist heeft gekund, dan ben ik gelukkig, dat vind ik heel fijn. Ik geniet ervan als mensen ermee op dreef geraken, dat ze in het samenspel meekunnen en dat wat ze spelen echt muziek wordt, vooral dat. Dat is ook bij de zangers zo, het interesseert me niet dat iedereen zijn stem op zijn best gebruikt, maar wel dat de groep als geheel een mooie klank produceert en dat het lied er staat, dat het muziek wordt, dan ben ik heel content. En natuurlijk geniet ik er ook van dat ik zelf kan meedoen, ik zou het ook niet kunnen laten van mee te zingen. Ik probeer nog altijd wel baas boven baas te blijven en mezelf te verbeteren, al zijn er leerlingen waar ik niet meer tegenop kan. Een van mijn leerlingen Tine Devolder heeft conservatorium draailier gedaan 5 jaar in Frankrijk en is daar afgestudeerd, daar moet ik me niet meer aan gaan meten.

Ik engageer me voor de muziekschool omwille van de euforie die ik zelf heb ervaren toen ik het aangereikt kreeg van mijn leraars. Daarover ben ik nog altijd zo enthousiast dat ik het gerust voor weinig financiële verdienste aan andere mensen wil aanreiken. Eender van waar ze komen, van de andere kant van de wereld of van hier. Wat dat betreft zitten we fantastisch in het Keerpunt waar al die buitenlanders ook rondlopen. Maar het is veel trekken en sleuren, het lukt niet altijd, maar ja, het is plezant.

Iets typisch voor Ward de Beer zijn die samenspelgroepen die jullie stimuleren. Waarom?
Ja, dat proberen we zoveel mogelijk te promoten. Er zijn momenteel de strijkers, de Lampisten, ’t Goe Koper, het Liederlijk Volkske (volkszang), het jazz- en bluesensemble, het garageorkest, het Zigeunerorkest, de volksmuziekgroepen… Ik vind dit fantastisch en er mogen van mij nog veel meer samenspelgroepen zijn. Momenteel ben ik met de draailierengroep aan een nieuw volksorkest bezig, we zijn met 8 en het werkt. Je verschuift een accent en je denkt: “We breiden uit, we gaan meer mensen hebben, maar nee, het verschuift gewoon.” Er is nu ook het zigeunerorkest bijgekomen, viool leren spelen op het gehoor. Ook daar vind je voor een deel leerlingen terug die vroeger in andere samenspelgroepen zaten.

Maar het lukt toch niet altijd zo goed hoor, mensen overhalen om naast de studie van hun instrument nog in een groep te spelen vraagt inzet. In academies verplichten ze het, wij werken vanuit het spelplezier en zoeken naar een typisch repertoire. We zijn een vrijetijdsvereniging voor amateuristische kunstbeoefening, we proberen te stimuleren dat leerlingen elkaar leren kennen en voeling hebben met wat er in het muziekatelier gebeurt. Mijn taak in de muziekschool is die van ‘coördinator’, mijn bedoeling is ‘mensen samenbrengen’, ik probeer vanalles uit om mensen bijeen te brengen. Zo is er bijvoorbeeld ‘de week van de kakafonie’ waarin leerlingen worden aangemoedigd in elkaars les binnen te vallen om te gaan samenspelen. Zo stimuleren we dat leerlingen elkaar leren kennen en elkaar durven aanspreken en ontmoeten, ook onze opendeurdag is daarvoor een belangrijk medium.

Jullie zijn geen erkende en gesubsidieerde muziekacademie. Is er ooit de interesse geweest om erkend te willen raken, of kiezen jullie voor het plezier en niet voor de studie?
We krijgen nu enkele beperkte subsidies vanuit de stad , het district en de provincie. We zouden al een goeie deal moeten hebben om de voordelen op te offeren die we nu hebben. We hebben nu een hele grote vrijheid, we hoeven aan niemand te vragen of een lesgever wel bij ons les mag geven of niet. Leraars hoeven niet op het conservatorium gestudeerd te hebben, als ze maar voldoende bekwaam zijn en gemotiveerd zijn om aan anderen iets van hun kunde door te geven. De leraars werken als vrijwilligers, ze krijgen een beperkte onkostenvergoeding die betaald wordt vanuit het lesgeld van de leerlingen. Wie dat niet wil, die blijft niet, we hebben alleen mensen die het daarvoor willen doen, die muziekles willen geven en daar de meerwaarde van zien zonder dat ze daarvoor een loon krijgen. Leraars hebben ook de vrijheid om ermee te stoppen als ze geen les meer willen geven. Toch vinden we voor de meeste instrumenten vlot leraars. We kunnen ook kort op de bal spelen, we kunnen organiseren wat we willen en heel soepel werken. Komen er bijvoorbeeld enkele leerlingen vragen of ze bij ons mandoline kunnen leren, dan zoek ik daar een leraar voor en voilà, we bieden mandolineles aan. Of een leraar biedt zich aan en we nemen het instrument op in ons aanbod. Dat gaat niet zomaar in een academie.

Boet je dan niet op kwaliteit in?
Ja, maar je bereikt je kwaliteit via een andere weg. We boeten in die zin aan kwaliteit in dat we soms een te grote wissel hebben van leraars en leerlingen. Vooral met de popmuziek, bij de gitaarleerlingen, is dat zo. Na 3 akkoorden houden ze ermee op en het volgende jaar heb je weer allemaal nieuwe leraars en nieuwe leerlingen. Dat is een beetje dweilen met de kraan open, dat doe ik niet graag, dat is nooit de bedoeling geweest. In de klassieke muziek en de volksmuziek kan je wel bouwen aan kwaliteit. Dat duurt de nodige jaren, maar dat is nu eenmaal zo. In een academie moet je 9 les volgen om zogezegd draailier te kunnen spelen. Wat mijn betreft zijn er getalenteerde leerlingen die het na 2 jaar ook kunnen, ik heb zelf ook geen 9 jaar nodig gehad om het te leren. Ik heb in de academie van Gooik les gegeven aan een lerares van het Lemmensinstituut, die had ook geen 9 jaar nodig om het onder de knie te krijgen. Het is zo kunstmatig en het klopt niet. Maar als de leerlingen bij ons zo lang blijven dan krijg je die kwaliteit ook wel.

Ervaar je evolutie in het vinden van lesgevers, door de professionalisering van de folk bijvoorbeeld?
Ik heb altijd nog een hoop namen van kandidaten, van alle soorten instrumenten, al mogen er zich natuurlijk nog steeds nieuwe kandidaten aandienen. Alleen voor de volksmuziekinstrumenten moeten we soms verder gaan zoeken. Dat komt misschien wel omdat folkmuziekleraars nu hopen in een folkacademie aan de slag te kunnen. Als je er een wedde en anciënniteit voor krijgt, dan geef je daar natuurlijk de voorkeur aan. Maar als ze niet gevraagd worden, komen ze misschien wel bij ons terecht. Er zijn momenten geweest dat ik de opkomst van die folkacademies wel een beetje als een concurrentie zag. Ik weet het nog niet, het zal zich moeten uitwijzen denk ik. Misschien dat wij nu met ons volksmuziekverleden en onze ervaring daarin ook meer kans krijgen om erkend te worden. Als we daarvoor niet teveel van onze eigenheid moeten inboeten, dan willen we daar wel voor gaan. Misschien zit het er wel in dat we als muziekatelier kunnen aansluiten bij een academie. Zodanig dat onze lichtere manier van werken, zonder de stress van examens en zo, zijn juiste plaats krijgt. Dat bestaat, er zijn academies waar ook een muziekatelier aan verbonden is, bijvoorbeeld in Waasmunster. De leerlingen kunnen kiezen of ze naar de academie of het atelier gaan. In het atelier is het wat lichter en wat meer op maat van de leerlingen, in de academie zelf moeten ze aan normen voldoen. Hoe ze het juist doen weet ik ook niet. Er zijn ook nog geen gesprekken over aan de gang.

Ik word dit jaar 60 en werk halftijds in dienst van het muziekatelier. Ik moet nog 5 jaar werken voor ik op pensioen ga. Ik wil dan andere dingen doen die ik plezant vind, houtbewerking, knutselen met kinderen,… De muziekschool bestond 25 jaar toen Ward De Beer gestorven is, ze bestaat nu 25 jaar zonder hem. We voelen nu dat het serieuzer wordt, we krijgen meer respons en werken eraan. Het is tijd voor een volgende stap in de evolutie.

Het muziekatelier is nu gehuisvest in een zeer multiculturele omgeving, vlakbij de Roma, en in hetzelfde gebouw als de school voor inburgeringscursussen. Je leidt ook de zanggroep Dinska Bronska waar je met anderstalige nieuwkomers Nederlandstalige liederen zingt. Hoe ervaar je het zelf om aan een multiculturele groep het Nederlandse volkse repertoire bij te brengen?
Die mensen vinden dat mooie muziek en kiezen er spontaan de mooie liedjes uit. De liedjes die ik mooi vind, vinden zij ook mooi, of deze mensen nu van Irak, Zuid-Afrika, Colombia of China komen. Favorieten zijn: Het kleine café aan de haven, De lichtjes van de Schelde, … Walsjes vallen in de smaak bij iedereen van Afrika tot in Amerika en van Azië tot in Australië. ‘Ik zag Cecilia komen’ vinden ze ook heel mooi. En wat ze geweldig plezant vinden is de Nederlandstalige versie van ‘Marina’. ‘Schoon lief’ werkt dan weer niet zo goed.

Ik ben door deze zanggroep zelf ook op een andere manier naar ons liedrepertoire gaan kijken. Ik moest een stapje terugzetten in mijn eigen vooroordelen tegenover sommige liedjes die ik aanvankelijk niet zo bijzonder vond. Tot je ze met die mensen gaat zingen en zij zeggen: “dat is een mooi liedje” en dan denk je: “Verdorie, ze hebben gelijk.” Ik weet dat Vlamingen ongelofelijk kicken op zuiderse dingen, maar die zuiderse mensen vinden ons liedrepertoire ook mooi. Ik ben onze liederen met andere ogen gaan bekijken, de ogen van een buitenstaander, en dat kan ons overtuigen om terug meer appreciatie op te brengen voor ons eigen liedrepertoire.

Je hebt muzikale kinderen die zelf niet met folk bezig zijn. Hoe hebben zij hun weg gevonden?We speelden thuis veel volksmuziek. We repeteerden bij ons thuis met ons volksmuziekgroepje RAMENAS als Klaas (dEUS) en Trijn (Lady Angelina), toen 7 en 9, boven zaten te spelen. Ons Trijn schrijft zelf veel melodieën en daar hoor ik soms ook iets in terug van wat wij toen repeteerden. In Suds & Soda speelt Klaas een vioolmotiefje dat me doet denken aan wat onze violist destijds deed. En het ligt allemaal zo ver niet uit elkaar. Muziek is altijd te herleiden tot een melodie, een harmonische begeleiding en een ritme, en dat komt in alle verschillende genres terug. Melodie, harmonie en ritme, dat is muziek. Al zal je bij het ene genre een ander soort ritme of harmonische begeleiding hebben, of minder melodische lijnen dan bij een ander. Ik hoor de muziek van dEUS zelf ook graag, sommige dingen vind ik een hoop lawaai, maar er zijn dingen bij die ze de hele dag mogen spelen van mij. De eerste keer dat ik Suds & Soda hoorde, was ik heel verwonderd en enthousiast. Met sommige liedjes van ons Trijn heb ik dat ook dat ik denk: “Amai, knap, hoe is ze daar opgekomen.” En Roos doet op saxofoon ook hele knappe en verwonderlijke dingen met TAKTOR en CAPSULE. (Lief toont een filmpje.)

Waar ben je op muzikaal vlak nu zelf mee bezig?
Er zijn plannen voor een project met de Arenbergschouwburg voor een namiddag over het ontstaan van de draailier. Een onderhoudend programma over de geschiedenis van de draailier, waarin ook veel verteld wordt en de bindteksten belangrijk zijn.

Mijn eigen groep is de groep LEONARD, dat zijn Bernard Van Lent (accordeon), Walter Poppeliers (contrabas), Jokke Schreurs (gitaar) en ik (draailier). We hebben met deze groep ook een CD opgenomen.
Ik ben ook bezig met het project KESTERHEIDE van Kim Delcour. We repeteren in Gooik met 2 draailieren, 2 doedelzakken en een viool. Het is antieke, soms heel trage muziek, echt bourdonmuziek, heel mooi. Ik vind het wel plezant dat ik eens gevraagd word om mee te spelen, dat iemand anders gewoon zegt: “Hier is muziek, speel dat”, want als het om samenspel gaat, ben ik dikwijls diegene die zelf het initiatief neemt. Dat is ook tof, maar dan laat je dikwijls andere dingen voorgaan.

Heel veel succes met het muziekatelier Ward De Beer en met al je plannen Lief!

Ward De Beer Kakafonie023

Ward De Beer Kakafonie027


|




Organiseer je zelf een folkconcert of folkbal, stuur ons tijdig informatie door over de activiteiten die je organiseert. Wij garanderen je dat ze snel daarna op de site zal verschijnen. Organiseer je een folkbal dan kan je ook gebruik maken van het folkkalenderprogramma van Folkbalbende.